Bevrijdingsdag: gemeente gesloten

Op Bevrijdingsdag (dinsdag 5 mei 2026) zijn alle locaties van de gemeente gesloten. We zijn dan ook telefonisch niet bereikbaar.

U kunt wel gewoon een afspraak maken of een melding doen via onze website. Woensdag 6 mei om 8.30 uur zijn we weer geopend.

 

4 mei toespraak burgemeester van den Top

4 mei 2026
De toespraak van de burgemeester bij het Rosarium

“De vreemdeling die, het station verlatend, de gemeente inloopt, moet zich verbaasd afvragen of dit nu het wonder-mooie Hilversum is, waarvan men hem zooveel voorspeld heeft! Stapte hij soms verkeerd uit de trein?”

Woorden van gelijke strekking zouden zo maar van een hedendaagse Hilversummer kunnen zijn. Maar ze komen uit de eindrapportage van de op 9 januari 1941 door Burgemeester Ernst von Bönninghausen ingestelde ‘Kerncommissie’, die de taak had ‘de verbetering van de binnenstad onder ogen te zien. De planvorming voor deze ingrijpende modernisering van het Centrum van Hilversum stond onder leiding van gemeentesecretaris Gilles Gerard Pekelharing, directeur Publieke werken Nicolaas Albertus Felix en onze vermaarde stadsarchitect Willem Dudok. 

In het kader van het op verzoek van onze gemeenteraad ingestelde onderzoek naar de rol van ons gemeentebestuur bij de onteigening van joods vastgoed tijdens de Tweede Wereldoorlog, heb ik ter voorbereiding van deze lezing de rol van deze Kerncommissie nader laten onderzoeken. De belangrijkste bevindingen van dat onderzoek deel ik vandaag met u. Het onderzoek werd onder supervisie van Geraldien von Freitag Drabbe Künzel uitgevoerd door twee jonge historici: Merle Lammers en Seppe Dufhues. Vanaf deze plaats wil ik hen daarvoor van harte bedanken. 

Maar voor ik u verder meeneem in het verhaal van het Kernplan en van deze commissie wil ik ook vandaag opnieuw aandacht vragen voor de context van het handelen in die tijd, zoals dat spreekt uit dit onderzoek. Door handelingen te contextualiseren, dat wil zeggen ons in te leven in de toenmalige tijd, komen we tot dieper inzicht in wat toen gebeurde. En kunnen we dat inzicht naar het heden vertalen, en waken voor de factoren die de Holocaust toen mogelijk maakte.

De oorsprong van het Kernplan lag in het uitbreidingsplan dat Willem Dudok in 1918, drie jaar na zijn benoeming als directeur Publieke Werken van Hilversum, presenteerde. Zijn plan bouwde voort op het in 1905 door zijn voorganger, gemeentearchitect Piet Andriessen, gemaakte uitbreidingsplan, in essentie een stratenplan. Op zijn beurt ontstond de visie van Dudok in een landelijke context van stedelijke ontwikkeling, waarin infrastructuur, hygiëne en leefbaarheid centraal stonden. 

Zo beoogde de Woningwet van 1901 een einde te maken aan de bewoning van ongezonde woningen, en de bouw van kwalitatief betere woningen te stimuleren. Gemeentebesturen kregen wettelijke en financiële middelen om grootschalige sanering, oftewel ‘krotopruiming’ te kunnen uitvoeren. Opvallend is dat deze saneringsprojecten zich vaak richtten op stadswijken met relatief veel joodse bewoners en percelen. Hoewel ingegeven door sociaaleconomische motieven raakte dit beleid veel Joodse gezinnen in arme, dichtbebouwde stadsdelen. 

Delen die niet pasten bij dat nieuwe ideaalbeeld van de moderne stad, en daarom door veel stedenbouwkundigen en bestuurders als probleemgebied werden aangemerkt.  Zo ook in Hilversum. 

Het Kernplan voorzag in een grondige vernieuwing van het Centrum van Hilversum. Vooral de toename van het gemotoriseerd verkeer maakte deze ingreep dringend noodzakelijk, zo constateerde Dudok al in 1928. 

Doorgaande wegen als de Utrechtsestraatweg en Soestdijkerstraatweg moesten worden doorgetrokken naar een verbrede Emmastraat en Groest. Verkeer naar Bussum kon zo rechtstreeks over de Groest rijden. Door verbreding van de Koninginneweg, Achterom en een verbrede verkeersbaan over de Kerkbrink en ’s Gravelandseweg werden het treinstation en de villawijken beter bereikbaar, en konden artiesten en gasten makkelijker naar de studio’s in het centrum rijden. Om een ruimer stationsplein te kunnen realiseren moest een groot deel van de bebouwing tussen station en Groest worden gesloopt. In deze omgeving lagen volgens de commissie veel, ik citeer: “geheel willekeurige kris kras slingerende steegjes en slopjes waar hooibergen, veestallen, lompenpakhuizen en andere niet meer in de kern van de gemeente thuishorende bedrijven zich bevinden”. Deze dienden te worden opgeruimd. Daarvoor in de plaats zouden er fraaie winkelstraten komen. 

Het handgeschreven briefje van directeur Publieke Werken Felix, waarin deze toelichting op het Kernplan te lezen is vervolgt met de constatering dat “in dit dorpsgedeelte, blijkens de bijgevoegde kaartbijlagen, Joodse percelen een opmerkelijke oppervlakte beslaan van de bebouwing. Aankoop van deze percelen is voor de tenuitvoerlegging van de ontworpen plannen van groot belang”.

De start van de Kerncommissie viel vrijwel samen met de invoering door de bezetter van Verordening nummer 154 in augustus 1941, waarmee Joods grondbezit onteigend werd en onder beheer gesteld van de Niederländische Grundstückverwaltung (NGV).

De ontwerptekeningen voor het Kernplan, allen van de hand van Dudok, dateren van juli, augustus en september in dat jaar. Nog geen twee weken na de presentatie ervan schreef Burgemeester von Bönninghausen aan de NGV dat hij graag geïnformeerd zou worden wanneer de NGV Joods Grondbezit in Hilversum ter beschikking kreeg, gezien hun belang voor het Kernplan “vele aan joden toebehoorende eigendommen zijn daarbij betrokken”.

Een jaar later werden de burgemeester en de commissie erop geattendeerd dat de organisatie Algemeen Nederlands Beheer van Onroerende Goederen (ANBO), die het deze roofgronden door verkocht “eerdaags zou overgaan tot den verkoop van de onroerende goederen uit deze gemeente”.  Von Bönninghausen verzocht makelaars (en via hen ANBO) om een overzicht van Joodse eigendommen in deze gemeente, inclusief een prijslijst. ANBO reageerde dat het niet mogelijk was een prijslijst te sturen. Mocht er interesse zijn in een bepaald pand, dat kon ANBO dit laten taxeren en op basis daarvan een vraagprijs geven.

Daarop vroeg de Burgemeester de Kerncommissie om een lijst van Joodse percelen die voor het Kernplan zouden moeten wijken. Het voert voor nu te ver om het relatief belang van alle voor het Kernplan benodigde percelen hier nader te duiden – de 32 met rood aangegeven percelen op de kaart die u geprojecteerd ziet waren de belangrijkste. 

Twee maanden later stuurde von Bönninghausen en Pekelharing een volgende brief aan de ANBO, met daaraan de lijst van 62 percelen waarin de gemeente interesse had in verband met de uitvoering van het Kernplan. 

Enkele maanden van onderhandelingen volgen, maar onder andere door de ermee gemoeide bedragen lukt het niet om snel tot een transactie te komen. En in maart ’43 bleek inmiddels een groot aantal percelen niet meer beschikbaar als gevolg van vergevorderde of afgeronde verkooponderhandelingen met andere kopers. Uiteindelijk werd alleen het pand aan de Huygensstraat 80a aangekocht ‘in het belang van de voedselvoorziening’. Het pand werd verhuurd aan de Vereniging ten Behartiging van de Nederlandse Aardappelhandel. Na de bezetting werd de huur opgezegd en na een rechtsherstelprocedure tussen gemeente en de erven van de oorspronkelijke eigenaren middels een minnelijke schikking aan hen overgedragen.

Onderzoekers van de Universiteit Nijmegen deden tussen 2020 en 2024 landelijk onderzoek naar de rol van gemeenten bij de roof van Joods vastgoed tijdens de Tweede Wereldoorlog. De synthese van dat onderzoek laat zien dat van de circa 1000 onderzochte gemeenten er uiteindelijk 25 optraden als zogenaamde oorlogskopers. Koploper in die lijst is Amsterdam, dat 23 panden aankocht, gevolgd door Den Haag met 7 panden. Het in opdracht van onze gemeenteraad uitgevoerde onderzoek naar het handelen van Hilversum toont aan dat de ambitie in dezen die onder leiding van de Kerncommissie werd nagestreefd aanzienlijk hoger lag dan dat, en dat uiteindelijk 1 pand is aangekocht en na de oorlog weer in handen van de erven is gekomen. 

Ook al leverde dit onderzoek naar de achtergronden van het Kernplan geen indicatie op van actieve steun of betrokkenheid van de commissie bij de deportatie en onteigening van de grote Joodse gemeenschap in Hilversum: we zien een commissie die consequenties van deze agenda gretig aanpakt om die oude stedenbouwkundige droom van een modern stadshart voor Hilversum te kunnen realiseren. 

In het kader van dit onderzoek is in samenwerking met beeldend kunstenares Tamar Frank een lichtroute ontwikkeld langs de adressen die onderdeel uitmaakten van het Kernplan. Op de website van onze gemeente is alle informatie over deze route, en de verhalen achter deze panden, te vinden op de pagina herdenkingsroute Kernplan

Bij onze stille tocht naar het Rosarium passeren wij straks een van de adressen van deze route: Veerstraat 38a-40. Deze panden waren eigendom van de gebroeders Hamel: Abraham, Jacob en Meijer. In mijn 4 mei lezing van vorig jaar beschreef ik het noodlot dat de Duitse bezetting betekende voor deze vooraanstaande joodse ondernemersfamilie en voor hun Gooise Metaalhandel. 

Een van de op dit adres ingeschreven huurders was de van oorsprong Poolse Dorothea Heymann-Cohn. In 1907 was ze in Berlijn getrouwd met Leopold Heymann. Vier jaar na zijn overlijden, deed Dorothea een poging om met het cruiseschip St. Louis Cuba te bereiken. Op 13 mei 1939 verliet het schip de haven van Hamburg, maar Cuba en de Verenigde Staten weigerden om vluchtelingen op te nemen. De St. Louis moest gedwongen rechtsomkeert maken. Het schip meerde aan in Antwerpen, waarna de 937 opvarenden verspreid werden over verschillende landen. Dorothea kwam in Nederland terecht.  Ze verbleef een aantal maanden in Den Haag, en vertrok vervolgens naar Amsterdam. Op 24 oktober 1940 is Dorothea ingeschreven op het adres aan de Veerstraat 40. Ruim twee maanden eerder dan de andere bewoners, moest Dorothea gedwongen naar Amsterdam vertrekken.  Op 4 september 1942 is Dorothea op transport gesteld. Ze is direct bij aankomst in Auschwitz vergast. Dorothea Heymann-Cohn is 59 jaar geworden. 

In het licht van dit tragische verhaal permitteer ik mij een korte doorkijk naar de actualiteit om mijn dank en waardering uit te spreken naar allen, inclusief de omwonenden, die al 4 jaar lang de handen ineenslaan om de opvang van 175 vluchtelingen op deze locatie zo goed te laten verlopen. 

Onderzoek naar ons handelen ten tijde van de Tweede Wereld Oorlog levert oncomfortabele inzichten op. Van schier onbereikbaar knap en dapper heldendom (‘zou ik dit ook kunnen en durven?’) tot wat mensenkinderen zoals u en ik kan brengen tot het collectief handelen dat de Holocaust mogelijk maakte. 

Enkele weken geleden waren Jacobina en ik bij de presentatie van ‘Ontworteld’, de familiekroniek van de familie Klein, opgetekend door Eddy van Noord op basis van vele gesprekken met de ook vandaag hier weer aanwezige, inmiddels 90-jarige voorzitter van onze Joodse Gemeenschap, de heer Gerard Klein. Overlever, ondernemer, family man en bovenal een man van nesjomme een Jiddisch woord dat ziel, betrokkenheid betekent. In 2024 vertelde Gerard ons hier in zijn Bill Minco lezing zijn levensverhaal.

Bij de overhandiging van het eerste exemplaar van ‘Ontworteld’ aan zijn kleinzoon Ruben waren de emotie en symboliek van dat moment voelbaar in de zaal. Ruben is nu 34, even oud als Moses Paul Klein, de vader van Gerard, was toen hij op 18 april 1939 met zijn vrouw en twee jonge kinderen uit Wenen naar Nederland vluchtte. Met de bedoeling om vandaar door te reizen naar de Verenigde Staten. Maar de dag voor hun geplande vertrek uit Rotterdam vielen de Duitsers Nederland binnen. Stel je voor: de volgende dag zit je als jonge vader met je gezin te wachten. Wachten op die ene taxi die de rit naar de Veendam in Rotterdam, de laatste kans naar de veilige overkant, nog durfde te maken – maar die niet arriveerde. 

In plaats daarvan werd vader Klein de volgende dag gearresteerd door de vreemdelingenpolitie en nam afscheid van zijn gezin. To be continued, u moet het verhaal echt zelf verder lezen! 

Het levensverhaal van de familie Klein toont ons hoe diep en helaas bijna onlosmakelijk gevoelens van onveiligheid door de eeuwen heen vergroeid zijn met de joodse religie en identiteit. 

Het is een confronterend inzicht: ondanks onze kennis van die verschrikkingen, en ondanks zovele jaren van herdenken, ligt het spook van die onmenselijkheid nog altijd op de loer. Maar ieder van ons heeft – in plaats daarvan – iedere dag weer de keuze om net als Gerard Klein actief voor de nesjomme te kiezen. En zo elkaar niet te verliezen, maar vast te houden op het pad van de medemenselijkheid.

Opdat wij niet vergeten.